Niets zo vervelend als een tegenligger die zijn grootlichten op heeft staan of de auto voor je die zijn mistlichten vergeten af te zetten is. Wat zijn nu eigenlijk de regels omtrent het gebruik van je autolichten? We zetten ze op een rijtje voor je.

Er zijn vijf soorten lichten: dagrijlichten, parkeerlichten, dimlichten, grootlichten en mistlichten. De knopjes weten staan op je dashboard is één ding, ze correct gebruiken nog een ander.

  • Dagrijlichten

    Verplicht op alle nieuwe voertuigen. Ze dienen alleen om beter gezien te worden, niet om beter te zien.

  • Parkeerlichten of standlichten

    Dienen er net zoals de dagrijlichten voor om gezien te worden door andere weggebruikers. Je gebruikt ze wanneer je stilstaat of parkeert op de rijbaan of berm tussen zonsondergang of -opgang.

  • Dimlichten

    Deze zorgen ervoor dat je door andere weggebruikers gezien wordt en verbeteren je zicht als bestuurder tot ongeveer 30 meter. Je gebruikt ze in normale omstandigheden, van zonsondergang tot zonsopgang of wanneer je zicht overdag door regen/hagel/sneeuw/… minder dan 200 meter bedraagt.

  • Grootlichten

    Ook wel ‘verstralers’ of in de volksmond ‘faaren’ genoemd: maken je zichtbaar en zorgen voor een zicht van tenminste 100 meter. Ze kunnen verblindend zijn, en daarom mag je ze niet gebruiken wanneer je een andere weggebruiker tegemoet komt, je een auto volgt op minder dan 50 meter of wanneer de weg voldoende verlicht is.

  • Mistlichten

    Verhogen de zichtbaarheid op de weg bij slecht weer. Ze zijn bedoeld om je te helpen een veilige afstand te houden en zo ongevallen te voorkomen.

    Wist je dat steeds meer nieuwe voertuigen nu ook vooraan mistlampen hebben? Ze zijn niet verplicht, maar je kan ze wel inschakelen bij sneeuw, zware regen of mist. De mistlampen achteraan zijn wel verplicht wanneer mist, regen of zware regenval het zicht beperkt tot minder dan 100 meter.

    Maar euh, hoe schat je nu precies 100 meter in? Een handig trucje: kijk naar de verlichtingspalen langs de weg. De oude, lagere palen staan op 30 à 40 meter van elkaar. Zie je de tweede paal dus niet, steek dan zeker je (achter)mistlampen aan. Je kan ook de onderbroken strepen op de weg tellen. Zie je maar 10 strepen, dan zet je je mistlicht aan.

Niets zo vervelend als een tegenligger die zijn grootlichten op heeft staan of de auto voor je die zijn mistlichten vergeten af te zetten is. Wat zijn nu eigenlijk de regels omtrent het gebruik van je autolichten? We zetten ze op een rijtje voor je.

Er zijn vijf soorten lichten: dagrijlichten, parkeerlichten, dimlichten, grootlichten en mistlichten. De knopjes weten staan op je dashboard is één ding, ze correct gebruiken nog een ander.

  • Dagrijlichten

    Verplicht op alle nieuwe voertuigen. Ze dienen alleen om beter gezien te worden, niet om beter te zien.

  • Parkeerlichten of standlichten

    Dienen er net zoals de dagrijlichten voor om gezien te worden door andere weggebruikers. Je gebruikt ze wanneer je stilstaat of parkeert op de rijbaan of berm tussen zonsondergang of -opgang.

  • Dimlichten

    Deze zorgen ervoor dat je door andere weggebruikers gezien wordt en verbeteren je zicht als bestuurder tot ongeveer 30 meter. Je gebruikt ze in normale omstandigheden, van zonsondergang tot zonsopgang of wanneer je zicht overdag door regen/hagel/sneeuw/… minder dan 200 meter bedraagt.

  • Grootlichten

    Ook wel ‘verstralers’ of in de volksmond ‘faaren’ genoemd: maken je zichtbaar en zorgen voor een zicht van tenminste 100 meter. Ze kunnen verblindend zijn, en daarom mag je ze niet gebruiken wanneer je een andere weggebruiker tegemoet komt, je een auto volgt op minder dan 50 meter of wanneer de weg voldoende verlicht is.

  • Mistlichten

    Verhogen de zichtbaarheid op de weg bij slecht weer. Ze zijn bedoeld om je te helpen een veilige afstand te houden en zo ongevallen te voorkomen.

    Wist je dat steeds meer nieuwe voertuigen nu ook vooraan mistlampen hebben? Ze zijn niet verplicht, maar je kan ze wel inschakelen bij sneeuw, zware regen of mist. De mistlampen achteraan zijn wel verplicht wanneer mist, regen of zware regenval het zicht beperkt tot minder dan 100 meter.

    Maar euh, hoe schat je nu precies 100 meter in? Een handig trucje: kijk naar de verlichtingspalen langs de weg. De oude, lagere palen staan op 30 à 40 meter van elkaar. Zie je de tweede paal dus niet, steek dan zeker je (achter)mistlampen aan. Je kan ook de onderbroken strepen op de weg tellen. Zie je maar 10 strepen, dan zet je je mistlicht aan.